Bijlage hoofdstuk 2- Materiaal - Regels voor gebruik botenwagens
Het komt nogal eens voor dat de chauffeurs van trekauto’s weinig ervaring blijken te hebben met de bijzondere eisen die aan het rijden met een botenwagen gesteld worden. Daarom zijn de belangrijkste aandachtspunten hier op een rijtje gezet. Doel is in de eerste plaats het bevorderen van de verkeersveiligheid. Daarnaast is de zorg voor het roeimateriaal een primair verenigingsbelang.
Het gebruik van de botenwagen vindt altijd plaats in overeenstemming met aanwijzingen van de materiaalcommissaris of de wedstrijdcommissie, vaak vergezeld van een laadschema met daarop de namen van de boten vermeld. Naast de grote botenwagen beschikt de vereniging over een wherry botenwagen, waarvoor aanwijzingen van de toercommissie gelden.
Het rijden met een boten- of wherrywagen mag niet worden onderschat. De lengte van de aanhanger is veel groter dan van een 'bakkie' en je kunt op onverwachte plaatsen terecht komen waar het moeilijk is om te manoeuvreren. Als je voor het eerst een boten- of wherrywagen gaat trekken is het handig dit onder begeleiding te doen van iemand die hier ervaring mee heeft.
Een botenwagen is een grote windvanger achter je auto: Ga bij een KNMI-weercode geel (gevaarlijk weer), oranje (extreem weer) of rood (weeralarm) nooit met de boten- of wherrywagen op pad. Bij twijfel laat je 'm – eventueel in overleg met de wedstrijd- of toercommissie – gewoon staan en dan halen we 'm later wel op; veiligheid boven alles.
Kentekenbewijs:
• Zorg dat het Kentekenbewijs meegaat.
• De wherrywagen heeft geen eigen kentekenbewijs (niet nodig onder de 750 kilo): zorg ervoor dat er dezelfde (witte) kentekenplaat op zit als de auto die 'm trekt.
Beladen:
- Boot afriggeren.
- Boot erop: voor/achter/hoog/laag/binnen/buiten. Boten zover mogelijk maar voren leggen. Punt liefst naar voren.
- Een boot mag maar op twee punten steunen. Indien de boot op meer punten steunt moet er voor of achter een plankje onder geschoven worden. Plankje apart met plakband of ed. vastmaken.
- Een boot alleen op de twee steunpunten vastmaken. Zorg dat er geen spanning op de boot komt.
- Vastmaken met spanbanden (aanwezig in de loods, steuntjes boven afschrijfcomputer). Liefst voor een spanband en achter een binnenband. Vermijd dat de metalen klemmen van de spanbanden de huid van de boot beschadigen. Klemmen of tegen de ligger of omwinden met een restband.
- Een skiff of twee met taftdoek mag niet op het taft steunen, het taft is dan na twee kuilen in de weg kapot!
- Niet-deelbare achten mogen niet op de botenwagen, ook niet bovenop.
- Riemen: in de bak en zover mogelijk naar voren schuiven (voor gewichtsverdeling en veiligheid bij hard remmen).
- Riggers: liefst door de ploegen zelf mee laten nemen. Bij een volle botenwagen passen niet alle riggers in de bak
- Bankjes: niet los in de wagen leggen, maar bij elkaar binden met touw of in een rode bak doen. Liefst ook met de ploeg zelf mee.
- Schragen: op de riemen leggen. De schragen met lange spanbanden vastbinden.
- Klein spul in kratten.
- Riemenbak netjes afdekken.
- Loop nog eenmaal na of alle boten vastliggen en dat het laadschema is gevolgd.
- De verlichtingsbalk niet al te ver uitschuiven (anders breekt deze af) maar wel zo ver dat de boten minimaal uitsteken. Waarschuwingsvlaggen aanbrengen
- Controleren van de kogeldruk, deze moet minimaal 50 kilo zijn (dat is vijf volle emmers water!!!!), maar 70 of 80 kilo is beslist niet erg (dus niet in je eentje tillen en voelen!!!! denk aan je rug)
Aankoppelen botenwagen:
1. Stel zeker dat de stekkerdoos van de trekauto (zo nodig via een verloopstuk) een 7-polige stekker toelaat. Bijrijder is verplicht.
2. Laat de koppeling zakken op de trekhaak met de slinger van het neuswiel.
3. Als de koppeling van de botenwagen op de trekhaak klikt en de indicator wordt groen dan zit deze vast.
4. Draai nu eerst de botenwagen weer omhoog met het neuswiel en controleer of deze vast blijft zitten aan de trekhaak.
5. Draai het neuswiel geheel naar boven .
6. Sluit de breekkabel aan naast de trekhaak aan het daarvoor bedoelde oog. Niet met een lusje om de trekhaak, dat is verboden.
7. Sluit de 7-polige stekker aan, zo nodig via een verloopstekker naar 13-polig.
8. Controleer de werking van de achter- en zijlichten van de botenwagen.
9. Controleer of alle boten goed vast liggen en het zeil goed dicht is, zijsteunen gemonteerd en alle pennen van de zijsteunen geblokkeerd.
10. Bandenspanning controleren; bij lege wagen is de spanning 2,3 Bar. Bij halve belading 2,5 bar en bij volle belading 3,3 bar.
Rijden:
1. Controleer voor het wegrijden de remmen en de verlichting. Zo nodig connecties schuren of spray gebruiken.
2. Bij wegrijden en aankomen: bijrijder stapt uit en kijkt mee!
3. Omzichtig manoeuvreren met de losse wagen. Het neuswiel is al te vaak kapot gereden. Let bij het manoeuvreren op de punten van de boten die ver uitsteken.
4. Op parkeerterreinen en andere drukke plaatsen beter afgekoppeld duwen dan aangekoppeld rijden. Voortdurend bedacht zijn op de voor buitenstaanders onverwachte grootte van de wagen.
5. Let bij korte bochten op afsnijden van de bocht door de wagen als geheel en het uitzwaaien van het achterdeel. Als je ergens links voorgesorteerd staat en linksaf gaat, dan zwenkt het achterdeel en de achter uitstekende boten over de rechter weghelft uit.
6. De maximum snelheid is 90 kilometer per uur, altijd en onder alle omstandigheden. Ga dus op tijd weg om ruim op tijd (minimaal één uur voor de eerste start) aanwezig te zijn. Te laat wegrijden haal je niet meer in!
Het botenwagenslot:
Het slot altijd na afkoppelen gesloten op de botenwagen doen, dan raakt het niet weg.
Nummerbord:
De botenwagen heeft een eigen registratiebewijs. Het bewijs staat op de site van RV Breda.
Bandenspanning:
De achterbandenspanning van de trekauto met minimaal 0,4 Bar verhogen.
Meest voorkomende problemen:
Te lage bandenspanning bij trekauto of botenwagen. Koppeling niet vast. Neuswiel niet volledig omhoog.